Naar een passend opvoedingsklimaat




In een school waar geleerd moet worden kan het niet anders dan dat er een passend opvoedingsklimaat heerst.
Een klimaat waar duidelijkheid, rust en orde heerst maar ook een klimaat waar jongeren zicht kunnen ontplooien. Het opvoedingsklimaat hangt in eerste instantie af van volgende factoren:
  1. de leerkracht: de leerkracht moet leiding geven aan zijn of haar klas. De leerkracht bepaalt de grenzen en stuurt het onderwijsleerproces.
  2. de leerling: van de leerling wordt verwacht dat hij of zij de klas binnenstapt met de bedoeling de lessen te volgen en zich correct te gedragen, met de bereidheid om mee te werken en het lesgebeuren rustig te laten verlopen. Is die bereidheid er niet dan hoort deze leerling niet thuis in die klas.
  3. de directie: de directie steunt de leerkrachten en heeft als hoofddoel: kwalitatief onderwijs mogelijk maken én iedereen een veilige en rustige omgeving te bezorgen.
Als school willen wij een opvoedingsklimaat scheppen waar kan geleerd worden, waar men bereid is mee te werken en men elkaar respecteert met de leerkracht en opvoeder als “vriendelijke leiders”

Om dit passend klimaat te kunnen creëren, vertrekken we vanuit volgende basisprincipes (ontleend aan Patterson):

1 Positieve betrokkenheid

Het contact tussen leerkracht/opvoeder en leerling moet, zo mogelijk, hartelijk zijn. 3 slagzinnen liggen aan de basis van dat contact:

“Kinderen functioneren volgens de verwachting die men in hen stelt” Dit   geldt   zowel   in   positieve    als    in    negatieve    context. “Plus est en vous”
De mens heeft een positief zelfbeeld, vertrouwen, liefde en waardering nodig om te kunnen uitgroeien tot waardevol mens. Je kunt meer als anderen in je geloven. “Verbondenheid” is de kern
Van zeer groot belang bij opvoeding is de individuele relatie, de band, het vertrouwen, het ' tussen' (in het begin is er niets : dan kunnen we dit opvullen door te bevestigen wat goed is, interesse te tonen, tijd te maken, met hen te praten, verantwoordelijkheid te geven, humor)
Kwalitatief aanwezig zijn bij de jongere betekent interesse en waardering tonen, voelbaar maken dat je om hen geeft, telkens opnieuw de dialoog aangaan.

2 Positieve bekrachtiging

Naast een positieve betrokkenheid willen wij aandacht schenken aan positieve bekrachtiging. Te vaak zij wij geneigd om aan het goede gedrag aan te leren door vooral het verkeerde gedrag te sanctioneren. Toch willen wij proberen om via aandacht aan het correcte gedrag te schenken, leerlingen positief te sturen. Een schouderklopje, een opgestoken duim, een positieve nota,… het kan wonderen doen.


3 Herstel van de relatie –autonomie-ondersteunend werken

Niettegenstaande de goede relatie is het niet te vermijden dat jongeren toch eens afspraken overtreden. Grensoverschrijdend gedrag moet passend aangepakt worden.
Hiervoor bestaan verschillende mogelijkheden: herstelgesprek – herstelgerichte opdrachten – sancties…
Om goed te reageren let men best op volgende aandachtpuntjes: een gepast moment uitkiezen om een correctie te geven (niet straffen indien men slecht geluimd of boos is. Daarenboven heeft de jongere zelf de tijd om na te denken over het gebeuren).

  1. zorgen dat de schuldige hoop op vergiffenis heeft en het gevoel krijgt dat de opvoeder bereid is tot vergeven bij beter gedrag.
  2. heel belangrijk is de zwaarte van de “straf” te laten afhangen van verschillende elementen:
    • herhaling: de 1ste keer een fout maken is niet gelijk aan een 10de keer
    • zwaarte van de fout: een kleine overtreding is niet gelijk aan een strafbaar feit stellen…

Daarom is het zeker noodzakelijk een gradatie van straffen in te bouwen:

  1. impliciet of “moreel” straffen (wenkbrauwen fronsen, niet meer vriendelijk zijn, negeren, ontevredenheid uiten, ontgoocheling uiten…)
  2. een vaderlijke terechtwijzing (onder 4 ogen) : waarschuwen, vermanen, er opmerkzaam op maken.
  3. daarna een hersteltaak opleggen en voordelen intrekken, een schrijfstraf (te maken met overtreding), …
  4. ordemaatregelen (strafstudie, verwijdering uit de les e.d.) en tuchtsancties moeten een laatste “redmiddel” zijn en zijn passend voor iemand die doof blijft voor alle vroegere maatregelen, doorgaat met ergernis te veroorzaken en of met een slecht voorbeeld te geven.

4 Discipline

Stellen van grenzen is echt nodig. De ontwikkelingspsychologie geeft aan dat jongeren, binnen hun ontwikkeling, de grenzen aftasten. Als de grenzen niet duidelijk zijn (of er niet zijn) veroorzaakt dit een problematische ontwikkeling. Grenzen (grenzen van de begeleider, grenzen binnen de jongere zelf en grenzen die de structuur oplegt) stellen is dus essentieel!
Daarom is het vooraf maken van duidelijke afspraken en het, vanaf het eerste moment, consequent toepassen ervan absoluut noodzakelijk!

Het probleem van deze tijd lijkt dat men niet meer durft stellen dat er een hiërarchie is. Leerling en leerkracht/ouder staan niet op hetzelfde niveau: “Ik (ouders/leerkracht) sta boven de generatiegrens (de functiegrens). Ik ben leerkracht/ouder en jij bent leerling/kind en dat is niet het zelfde!”

5 Overzicht houden

Voorkomen is beter dan genezen! Daarom is het van uitzonderlijk groot belang dat leerkrachten en opvoeders toezicht houden, contact houden én er zijn!