Naar een passend opvoedingsklimaat
Opvoeden, les geven, leren kan enkel in een omgeving waar er een sfeer heerst van ontvankelijkheid en bereidheid om mee te werken.
Ideaal zou zijn dat we het gemoed van de leerlingen zodanig kunnen overtuigen dat zij zich, zonder enige uitwendige dwang, schikken naar wat wij van hen verlangen.
Dit werk niet (altijd) zo.
Volgzaamheid kan je verkrijgen vanuit macht. Macht, om het gedrag te beïnvloeden, verkregen uit dwang.
Volgzaamheid, bereidheid om mee te werken, om te doen wat gevraagd wordt, kan je ook verkrijgen vanuit een positie van gezag.
Gezag is macht ontleend aan wie men is, aan z’n persoonlijkheid en is de mate waarin je, in de relatie met iemand, door je persoonlijkheid, zijn gedrag kunt beïnvloeden in de door jou gewenste richting
Maar momenteel heerst er in onze maatschappij een crisis van het gezag.
Vroeger was gezag verbonden met de functie (vader, leraar, politie,…) en aanvaardde men de opdrachten van de gezagsdragers zomaar.
Nu hangt het gezag van de leider samen met de geloofwaardigheid van de gezagdrager (doe wat je zegt en zeg wat je doet).
In een school waar geleerd moet worden, kan het niet anders dan dat er rust en orde heerst.
Deze rust en orde hangt af van verschillende factoren:
1. de leerkracht: de leerkracht moet leiding geven aan zijn of haar klas. De leerkracht bepaalt de grenzen en stuurt het onderwijs-leerproces.
2. de leerling: van de leerling wordt verwacht dat hij of zij de klas binnenstapt met de bedoeling de lessen te volgen en zich correct te gedragen, met de bereidheid om mee te werken en het lesgebeuren rustig te laten verlopen. Is die bereidheid er niet, dan hoort deze leerling niet thuis in die klas.
3. de directie: de directie steunt de leerkrachten en heeft als hoofddoel: kwalitatief onderwijs mogelijk maken én iedereen een veilige en rustige omgeving te bezorgen.
Als school willen wij een opvoedingsklimaat scheppen waar in geleerd kan worden, waar men bereid is mee te werken en men elkaar respecteert.
Deze pedagogische visie werd uitgeschreven in enkele basisprincipes van ons opvoedingssysteem.
1. Positieve betrokkenheid
Het contact tussen leerkracht/opvoeder en leerling moet, zo mogelijk, hartelijk zijn.
drie slagzinnen liggen aan de basis van dat contact:
“Kinderen functioneren volgens de verwachting die men in hen stelt”
Dit geldt zowel in positieve als in negatieve zin.
“Plus est en vous”
De mens heeft een positief zelfbeeld, vertrouwen, liefde en waardering nodig om te
kunnen uitgroeien tot waardevol mens. Je kunt meer als anderen in je geloven.
“Verbondenheid” is de kern
Van zeer groot belang bij opvoeding is de individuele relatie, de band, het
vertouwen, het 'tussen' (in het begin is er niets: dan kunnen we dit opvullen door te bevestigen wat goed is, interesse te tonen, tijd te maken, met hen te praten, verantwoordelijkheid te geven, humor)
Kwalitatief aanwezig zijn bij de jongere betekent interesse en waardering tonen, voelbaar maken dat je om hen geeft, telkens opnieuw de dialoog aangaan.
Naast een positieve betrokkenheid willen wij aandacht schenken aan positieve bekrachtiging. Te vaak zij wij geneigd om het goede gedrag aan te leren door vooral het verkeerde gedrag te sanctioneren. Toch willen wij proberen om leerlingen positief te sturen via aandacht aan het correcte gedrag. Een schouderklopje, een opgestoken duim, een positieve nota,… het kan wonderen doen.
3. Interpersoonlijke probleemoplossing
Niettegenstaande de goede relatie is het niet te vermijden dat jongeren toch eens
afspraken overtreden. Grensoverschrijdend gedrag moet passend aangepakt worden.
Heel belangrijk hierbij is dat we proberen om het nadeel (= de straf) veel groter te maken
dan het voordeel dat de jongere haalt uit het negatieve gedrag.
Na een sanctie wordt een gedragsverandering bij de leerling verwacht.
Stellen van grenzen is echt nodig. De ontwikkelingspsychologie geeft aan dat jongeren, binnen hun ontwikkeling, de grenzen aftasten. Als de grenzen niet duidelijk zijn (of er niet zijn) veroorzaakt dit een problematische ontwikkeling.
Grenzen (grenzen van de begeleider, grenzen binnen de
jongere zelf en grenzen die de structuur oplegt) stellen is dus essentieel!
Daarom is het absoluut noodzakelijk vooraf duidelijke afspraken te maken vanaf het eerste moment consequent toe te passen!
Het probleem van deze tijd lijkt dat men niet meer durft stellen dat er een hiërarchie is. Leerling en leerkracht/ouder staan niet op hetzelfde niveau: “Ik (ouders/leerkracht) sta boven de generatiegrens (de functiegrens). Ik ben leerkracht/ouder en jij bent leerling/kind
en dat is niet hetzelfde!”
Voorkomen is beter dan genezen! Daarom is het van uitzonderlijk groot belang dat leerkrachten en opvoeders toezicht houden, contact houden én er zijn!